in samenwerking met 
Noordhoff 156978 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker

Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


Twijfelwoorden | ik, mij, hij, hem

Ik en mij

De woorden 'ik' en 'mij' worden nog wel eens met elkaar verward. Vooral in zinnen als deze:

  • Hans loopt even hard als ..... (ik / mij).
  • Laura heeft een mooiere stem dan ..... (ik / mij).
  • De muggen hebben Fred erger gebeten dan ..... (ik / mij).

Het bijzondere aan deze zinnen is, dat je er nog een paar woorden bij kunt plakken, waardoor het allemaal duidelijker wordt. Kijk naar de woorden tussen haakjes.

  • Hans loopt even hard als ik (loop).
  • Laura heeft een mooiere stem dan ik (heb).
  • De muggen hebben Fred erger gebeten dan (de muggen) mij (gebeten hebben).

Bij twijfel kun je de zin aanvullen met woorden die in het eerste deel van de zin al werden gebruikt. Je ziet dan welke rol 'ik' of 'mij' heeft en dan is het waarschijnlijk niet meer zo moeilijk.

 

 

Me en mij

Vaak kun je mij vervangen door me:

  • Hij geeft mij een boek.
  • Hij geeft me een boek.

Dat doe je niet als het woord mij een belangrijke klemtoon krijgt:

  • Die jas is van mij.
    Hier ligt de klemtoon op 'mij'. De zin vertelt van wie de jas is: van mij.
     
  • Die jas is van me.
    Deze zin kan eventueel ook, maar dan ligt de klemtoon op die of jas. Dit kun je zeggen als je voor een stapel kledingstukken staat en dat je aanwijst welke kleding van jou is: die das is van mij, die handschoenen zijn van mij en die jas is van me. De meeste mensen zullen toch in deze situatie overal 'mij' zeggen.

 

Mijn en m'n 

Het woord 'mijn' is een bezittelijk voornaamwoord:

  • Daar is mijn huis.

Als 'mijn' geen belangrijke klemtoon heeft, kun je ook zeggen (en schrijven):

  • Daar is m'n huis. 
     
    LET OP!
    Sommige mensen denken dat me en m'n hetzelfde is, maar dat is absoluut onjuist!
    Fout: daar is me huis.

 

Wij en ons

Hetzelfde geldt voor de woorden 'wij' en 'ons':

  • Zij waren eerder bij de eindstreep dan ..... (wij / ons).
  • Sinterklaas geeft aan de buren even veel cadeaus als ..... (wij / ons).

Vul de zinnen aan met een paar woorden en je ziet wat het beste antwoord is:

  • Zij waren eerder bij de eindstreep dan wij (bij de eindstreep waren).
  • Sinterklaas geeft aan de buren even veel cadeaus als (hij aan) ons (geeft).
    Of het minder logische:
    Sinterklaas geeft aan de buren even veel cadeaus als wij (aan de buren geven).

 

Jij en jou

Nog zo'n tweetal zijn de woorden 'jij' en 'jou':

  • Ik geef meer geld uit dan ..... (jij / jou).
  • De agent geeft Henk een hogere bekeuring dan ..... (jij / jou).
  • Je zusje praat vriendelijker dan ..... (jij / jou).

Maak de zin langer met woorden uit het begin van de zin en je ziet het:

  • Ik geef meer geld uit dan jij (uitgeeft).
  • De agent geeft Henk een hogere bekeuring dan (de bekeuring die de agent) jou (geeft).
  • Je zusje praat vriendelijker dan jij (praat).

 

Nog meer tweetallen

Hierboven staan nu genoeg voorbeelden om hetzelfde kunstje te kunnen toepassen op:

  • hij / hem
  • zij / haar
  • zij / hen / hun (zie ook de pagina over hen of hun)

Hiermee worden in de beste kringen fouten gemaakt. Kijk maar eens naar onderstaand bericht dat op nu.nl stond (voordat 'hem' door de redactie werd veranderd in 'hij').

Dit is dus fout:

(Met dank aan een opmerkzame deelnemer.)

 

 

In combinatie met 'dan' en 'als'

Bovenstaande voorbeelden zijn vaak dubbele struikelblokken. Je moet kiezen tussen 'dan' en 'als' en je moet de juiste persoonlijke voornaamwoorden kiezen.

 

Het gaat vaak om vergelijkingen (net als, meer dan) en dan staat in het tweede deel niet meer de volledige zin herhaald. De regel is: kijk wat de rol van het persoonlijk voornaamwoord in de eerste helft van de zin is en geef die rol ook in het tweede deel van de zin.

 

onderwerp

(hoofdpersoon)

lijdend

voorwerp  

meewerkend

voorwerp

ik

mij (me)

mij (me)

jij (je)

jou (je)

jou (je)

hij

hem

hem

zij

haar

haar

wij

ons

ons

jullie

jullie

jullie

zij

hen (hun)

hun (hen)

 

Voorbeelden met onderwerp (hoofdpersoon):

  • Ik heb meer knikkers dan jij. (en niet: als jou)
    eigenlijk staat er:
    Ik heb meer knikkers dan jij hebt.
     
  • Hij loopt even snel als ik. (en niet: dan mij)
    Hij loopt even snel als ik loop.
     
  • Zij hebben meer geld dan wij. (en niet: dan ons)
    Zij hebben meer geld dan wij hebben.
     
  • Wij hebben evenlang vakantie als zij. (en niet: als hun)
    Wij hebben evenlang vakantie als zij vakantie hebben.

Voorbeelden met lijdend voorwerp:

  • De agent bekeurt mij net zo streng als jou.
    De agent bekeurt mij net zo streng als hij jou bekeurt.
     
  • De auto passeert ons iets eerder dan hen.
    De auto passeert ons iets eerder dan de auto hen passeert.

Voorbeelden met meewerkend voorwerp:

  • De vliegreis kost jullie meer dan ons.
    De vliegreis kost jullie meer dan de vliegreis ons kost.
     
  • Hij geeft ons dezelfde uitleg als hun (of: aan hen).
    Hij geeft ons dezelfde uitleg als hij hun (of: aan hen) geeft.

 






Noordhoff Uitgevers


  

Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Bijbel  Beter Afrikaans  Plus-Taaltest  Beter Bijbel  

© 2010 - Beter Spellen is een initiatief van

 Martin van Toll Producties