in samenwerking met 
Noordhoff 143240 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker

Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


Spaties en streepjes | vlakbij, vlak bij

Deze pagina van de website gaat over de combinaties van twee woorden waarvan het tweede woord een voorzetsel is. Het hangt van de zin af, of je deze woorden aaneenschrijft of los.

 

Een paar voorbeelden om het duidelijk te maken:

  • Ik woon vlak bij mijn werk. (twee woorden: 'bij' hoort bij 'mijn werk')
  • Ik woon vlakbij. (bijwoord: één woord)
     
  • Je zit dicht bij de koekjes. (twee woorden: 'bij' hoort bij 'de koekjes')
  • Je zit dichtbij. (bijwoord: één woord)
     
  • Het boek ligt boven op de stapel. (twee woorden: 'op' hoort bij 'de stapel')
    Het boek ligt bovenop. (bijwoord: één woord)
     
  • De winkel is midden in de stad. (twee woorden: 'in' hoort bij 'de stad')
  • Ik zit er middenin. (bijwoord: 'middenin' is één woord, zie ook de pagina erin, daarvan)
     
  • De kinderen sprongen allemaal  boven op mij. (twee woorden: 'op' hoort bij 'mij')
  • Het nieuwste boek ligt bovenop. (bijwoord: één woord)
  • De kinderen sprongen erbovenop. (zie ook de pagina ervan uitgaan)

De voorbeelden laten het al zien: als het voorzetsel (het tweede deel van de eventuele combinatie) hoort bij het voorwerp of de persoon die daar direct na genoemd wordt, schrijf je de woorden niet aan elkaar.

 

 

Bovenaan, onderaan

Sinds 2015 (nieuwe Woordenlijst Nederlandse Taal) zijn de samengestelde woorden 'bovenaan' en 'onderaan' niet alleen bijwoorden, maar ook voorzetsels.
Als je het woorddeel 'boven', 'onder', 'voor' of 'achter' niet kunt weglaten uit de zin zonder dat er onzin ontstaat, schrijf je de woorddelen aan elkaar.

  • Schrijf je naam bovenaan de pagina.
    (Dit was voorheen 'boven aan de pagina') 
     
  • Het nummer staat onderaan de pagina.
    (Dit was voorheen 'onder aan de pagina')

 

Vaktermen

Hoewel deze website alles graag uitlegt met zo weinig mogelijk vaktermen, noemen we voor de fijnproevers soms even een begrip van de schoolmethode.

 

VOORZETSEL = een woord dat bepaalde betrekkingen aangeeft tussen twee zelfstandige naamwoorden in eenzelfde zin of tussen een werkwoord en een zelfstandig naamwoord: o.a. betrekkingen van plaats (achter, boven) en tijd (na, tijdens). In principe staat na een voorzetsel altijd een zelfstandig naamwoord.

 

BIJWOORD = een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt. Bijvoorbeeld: heel lekkere snoepjes, hij fietst snel, daar is het.

 

De woorden die hierboven op deze pagina worden behandeld zijn voorzetsels of bijwoorden. 

  • Vlakbij, dichtbij, onderop, middenin, erbovenop zijn bijwoorden. De woorden staan op zichzelf. Er staat geen zelfstandig naamwoord achter.
     
  • In 'vlak bij mijn werk' en 'dicht bij de koekjes' zijn vlak en dicht ook bijwoorden. Zij zeggen iets over het voorzetsel bij.
     
  • Bij, op en in zijn voorzetsels. Deze woorden staan niet op zichzelf. Er hoort een zelfstandig naamwoord bij. In de voorbeelden hierboven worden ze versterkt of nader bepaald door de woorden vlak, dicht, onder, boven en midden.

 

 






Noordhoff Uitgevers
Zoek op de website:

  

Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Verkeer  Beter Bijbel  Beter Afrikaans  Taaltest VertrekNL  

© 2010 - Beter Spellen is een initiatief van

 Martin van Toll Producties