in samenwerking met 
Noordhoff 153049 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker

Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


Weetwoorden | leiden, lijden

De ei en de ij klinken hetzelfde. Toch schrijf je het ene woord met een ei ('korte ei' of 'kippenei') en het andere woord met een ij ('lange ij'). Waarom? Het antwoord ligt vaak ver in het verleden. Bijvoorbeeld omdat het woord afstamt van een Engels, Frans of Duits woord met een bepaalde schrijfwijze.

 

Een paar regels die vaak opgaan:

  • Woorden op heid hebben altijd ei (kaalheid, eeuwigheid).
  • Woorden op lijk hebben altijd ij (heerlijk, koninklijk).
  • Veel woorden eindigen op teit of tijd, maar tijd geldt alleen als het echt met tijd te maken heeft (zomertijd, bedtijd); verder altijd teit (activiteit, kwaliteit, majesteit).
     
  • Werkwoorden met een ei zijn vaak zwakke werkwoorden (leiden - leidde - geleid).
  • Werkwoorden met een ij zijn vaak sterke werkwoorden (lijden - leed - geleden), maar helaas niet altijd (ijlen, ijlde, geijld).

En voor wie goed is in andere talen of dialecten:

  • Woorden die van een Frans woord met ai zijn afgeleid, hebben in het Nederlands ei (train - trein).
  • Woorden die van een Frans woord met y of i zijn afgeleid, hebben in het Nederlands ij (style - stijl, tapis - tapijt).
  • Kennis van o.a. Overijssels, Drents, West-Fries, Limburgs of Zeeuws dialect kan ook helpen bij het kiezen van ei of ij: als het in het dialect wordt uitgesproken als ie dan wordt het met ij geschreven (bijvoorbeeld: begriepn = begrijpen, mien= mijn, diek=dijk, piene = pijn).

Bij het alfabetisch sorteren is in onderstaand overzicht de ij als lettercombinatie van i + j behandeld.

Deze lijst groeit nog. Suggesties? Stuur een reactie.
 

 

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

Woorden met ei 

Woorden met ij 

aambei
aanleiding
aardbei
achteruitdeinzen
afgepeigerd (uitgeput)
afscheid

allebei
allerlei
arbeid
 

accijns (belasting)
afijn
afpijnigen (afmartelen)
allerijl (grote spoed)
andijvie
anijs

appetijtelijk
averij (schade)
azijn
 

bakkeleien
balein
beddensprei
beiaard (klokkenspel)
beidjes (met z'n beidjes)
beieren (klokken luiden)
beitel
beits
beleid
bereid
bereiden
bereik
bereizen
blei (witvis)
boekweit (tarwe)
breien
brein (hersenen)
 

batterij
begijn (kloosterling)
begrijpen
belijdenis (geloofsbetuiging)
benedictijn
benijden (jaloers zijn op)
berijden
betijen
bijl

bijster
blij (vrolijk)
brij (pap)
brijn (zout water)
byzantijns (muggenzifterig, slaafs)
 

 

chagrijnig
cherubijn
 

deinen
deining
deinzen
domein
dreigen
dreinen (huilend zeuren)
dweil
dweilorkest
 

dozijn
drijven
 

ei

eigen

eigengereid
eik (boom)
eikel
eiland

eis (dwingende wens)
eisen
enigerlei
 

ereprijs
evenwijdig
 

feilloos (foutloos)
feit (ware gebeurtenis)
festiviteit
fontein
 

festijn
fijt (nagelontsteking)
filistijnen
florijn
fotogalerij
 

galei (schip met roeiers)
geheim
gein
geiser
geit
gelei (ingedikt sap)
generlei
gerei
geteisem
gevlei (liefdoenerij)
gewei
greintje (kleine hoeveelheid)
 

galerij
gedijen

gerij (het rijden)
getij (eb/vloed)
gevlij 
  (in het gevlij komen:
  iemand ter wille zijn)
gewijd (geheiligd)
gijzelen
gordijn

grijn (mondzweer)
grijnzen
grijpen
 

hei (heide)
heide
heien (palen in de grond slaan)
heiland
heilig
heilzaam
heimwee
heitje (kwartje)
 

habijt (kloostergewaad)
hermelijn

hij (persoonlijk voornaamwoord)
hijgen

hijsen
 

ijzerenheinig

ijdel

ijk (keurmerk)
ijken (meetinstrument afstellen)
ijl (dun)
ijlen (wartaal uitkramen,
  spoeden)
ijlings (met spoed)
ijs (bevroren water, lekkernij)

ijsco

ijzer
ijzerenheinig

ijzervijlsel
inwijden
 

 

jasmijn
 

kapseizen

karwei (klus)
kasseien (straatstenen)
kastelein (barman)
kei
keizer
klei
klein
kletsmeier

koddebeier (agent)
konditorei
 

kandij
karmijn (rode kleurstof)
karwij (wilde komijn)
kastijden (straffen)
katzwijm
kledij

komijn
konfijt (vruchten in suiker)
koninkrijk

kozijn
krijsen
krijt
kwijlen
kwijnen
kwijt
 

lakei
lei (steensoort)
leiden (leiding geven,
  ergens heen gaan)
- een rustig leven leiden

leiding
leisteen
livrei (kleding van lakei)
 

Latijn
lijden (leed ondervinden)
- het lijdt geen twijfel
lijst
lijster
lijzijde
  

majesteit

Maleisië
marjolein (kruidig plantje)
marsepein

marsepeinen (van marsepein)
mei (maand)
meid, meisje
meineed (valse eed)
 

magazijn
makelarij (ook: makelaardij)
makelij (maaksel)
makerij (werkplaats)
mandarijn
marokijn (soort leer)
matrijs (holle vorm)
medicijn
mij (persoonlijk voornaamwoord)
mijn (delfplaats)
mijt (soort spinnetje)
mijter
 

neiging (geneigd zijn)
 

na-ijlen

napijn

negorij (afgelegen plaats)
nijd, nijdig

nijgen (buigen, overhellen)
nijptang
nijver
 

omheinen
onderscheid
onfeilbaar (maakt geen fouten)
 

olijf
ontbijt
onverwijld (meteen)
opstijven

overlijden
overschrijden
 

pastei
peil (niveau, hoogte)
peiler (iemand die peilt)
peiling
peinzen
plaveien
pleister
pleiten
prei
porselein
puberteit (periode waarin de

     geslachtsrijpheid intreedt)
puriteins
 

paarsgewijs
patrijs
pijl (puntige stok)
pijler (pilaar)
pijn

polijsten
praktijk

prijken
prijs
profijt

pubertijd (tijd van de puberteit)
 

 

 

refrein
rei (dans)
reiger (vogel)
reiken (uitstrekken)
rein (schoon)
reinigen
reizen (op reis zijn)
republikein

Romein
 

radijs
ravijn
rij (reeks)
rijgen
rijger (rijgdraad)
rijk (met veel geld, land)

rijke (een rijk persoon)

rijksdaalder
rijmen
Rijn (rivier)
rijp
rijst
rijzen (omhoog gaan)
robijn
rozijn
 

scheiden
scheikunde
schreien (huilen, schreeuwen)
sein
seizoen
soeverein
sprei
spreiden
steiger (aan het water
   of tegen een gebouw)
steigeren (van paarden)
steil (krulloos haar, loodrecht)
 

satijn

saucijs

saucijzenbroodje
schijnen
schijten
schrijden (lopen)
schrijnen (pijnlijk zijn)
schrijven
sijpelen
sijs (vogeltje)
slijk (modder)
slijm
slijpen
slijten
smijten
soldij (soldatenloon)
specerij
spijbelen
spijl
spijs
spijt
splijten
stijf
stijgen (omhoog gaan)
stijger (bijv. in een top tien)
stijl (manier, steel)
stijven

stoïcijns
strijd
strijdig

strijken
 

teil
teisteren

tenhemelschreiend
terrein
terugdeinzen
trein
treiteren
 

tamboerijn
tapijt
termijn
tierlantijn, tierelantijn
tij (eb/vloed)
tijding
tijger
tijm

toewijden
tonijn
trijp (soort fluweel)
twijfelen
twijg
 

uitweiden (uitvoerig spreken)
 

uitwijden (wijder maken)
 

vallei

veilen (op een veiling)
veilig
veiling
veinzen (doen alsof)
verbeiden (afwachten)
verbreid (op veel plaatsen)

vereisen
verleiden

zich vermeien (ontspannen)
verspreiden

vilein
vleien (aardig doen)
 

venijn

verbijten (zich inhouden)

verijdelen

verijzen (ijs worden)

vermaledijen

verrijken

verrijzen (omhoog komen)
verschijnen
verwijden (wijd maken)

verwijderen (weghalen)

verwijt
vijand
vijg
vijl
vijlen (met een vijl bewerken)
vijver
vijzel (om poeder te maken)
vlijen (neerleggen)
vlijmscherp
vlijtig
 

weiden (grazen)

weids
weifelen
weigeren
weitas (jagerstas)
 

wijd en zijd

wijden (besteden, inzegenen)
wijdte

wijdverbreid

wijken (opzij gaan)
wijn

wijs (melodie, verstandig)

wijten aan (aanrekenen)

wijzen

woestenij
woestijn
wrijven
 

 

 

zeiden (verl. tijd van zeggen)

zeik (urine)
zeikerd (zeur)
zeil (doek)
zeilen
zeis (landbouwwerktuig)
 

zijde (zijkant of weefsel)
zijl (sluis, waterlozing)

zwijmelen
zwijn
 






Noordhoff Uitgevers


  

Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Verkeer  Beter Bijbel  Beter Afrikaans  Taaltest VertrekNL  

© 2010 - Beter Spellen is een initiatief van

 Martin van Toll Producties